Historie

Geschiedenis van de Schaakvereniging Doorn-Driebergen

Onze vereniging is in 1966 ontstaan uit de fusie tussen de Schaakclub Doorn en Het Wapen van Driebergen. Bij de jubileumvieringen placht men echter de oprichting van de oudste tak, de club in Doorn, als geboortedatum te nemen. Lang heeft men verondersteld dat de wieg van die club in 1934 stond, maar tijdens onderzoek in het archief van de Doornse Krant De Kaap in het kader van het 75-jarig jubileum bleek dat de club een jaar later is opgericht, tijdens de euforie rond het wereldkampioenschap van Max Euwe. Het jubileum is dus lange tijd een jaar te vroeg gevierd.

De (Dam- en) Schaakclub in Doorn, 1935-1966

(Door te klikken op de foto‘s kun je ze vergroten en/of allemaal bekijken.)
In 1935 nam de Doornse kleermaker Gerrit Rekké het initiatief tot de oprichting van een dam- en schaakvereniging. Het was de tweede poging in het dorp; aan het begin van de jaren dertig had een schaakclub, waarvan Rekké ook lid was geweest, het slechts een paar jaar volgehouden. Een gecombineerde dam- schaakvereniging had meer kans van slagen. Bovendien had Rekké het tij mee, want 1935 was het jaar waarin Max Euwe wereldkampioen werd. Op de Heuvelrug volgden velen zijn match tegen Aljechin met extra belangstelling doordat een van de partijen in hotel Figi in Zeist werd gespeeld.

 

 

afb. 1: Gerrit Rekké en zijn vrouw

 

De nieuwe club telde al gauw zo’n 25 leden, die meestal speelden in de Kapel, een kerkelijk verenigingsgebouw aan de Langbroekerweg. Net als bij soortgelijke verenigingen in de regio waren de dammers in de meerderheid. Zij sloten zich ook eerder aan bij hun bond om aan de competitie mee te kunnen doen. De Doornse schakers beperkten zich de eerste twee jaar tot een onderlinge competitie en het spelen van vriendschappelijke wedstrijden tegen clubs in de buurt. Vaak gebeurde het dat de schakers meereisden met hun dambroeders als die een bondswedstrijd speelden.

 

 

afb. 2: Rien Hessels

 

In het seizoen 1938-39 namen de Doornse schakers voor het eerst deel aan hun bondscompetitie. Zij waren daarmee de eerste vereniging op de Heuvelrug. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zou het echter van korte duur zijn. Na de afgekondigde mobilisatie dreigde bij veel clubs een leegloop, wat het bondsbestuur noopte tot de instelling van een zogenaamde noodcompetitie zonder promotie-degradatie. Doorn deed daar nog wel aan mee, maar toen na de Duitse inval de landelijke en regionale competities weer op gang kwamen, haakte de club af. Er is weinig bekend over het Doornse schaakleven tijdens de oorlog. Vast staat wel dat de eerste jaren de onderlinge competitie nog doorging. Op een bewaard gebleven wisselbeker prijkt drie keer de naam van kapper Rien Hessels, die ook voor de oorlog al de sterkste schaker was.

Na de bevrijding herrees de club uit zijn as. Het bestuur greep het tienjarig bestaan aan om spectaculair naar buiten te treden. Niemand minder dan Max Euwe kwam naar Doorn voor een simultaanseance tegen dertig deelnemers. De oud-wereldkampioen maakte zich er niet van af: hij stond slechts twee tegenstanders een remise toe. Het evenement in café Flora was een groot succes en leverde nieuwe leden op. Mede daardoor waren de schakers nu in de meerderheid. Bij aanvang van het seizoen 1946-47 telde de schaakafdeling twintig leden terwijl er slechts acht dammers op de club zaten. Een experiment om twee tientallen naar de SGS-competitie af te vaardigen bleek echter te hoog gegrepen.

In de onderlinge competitie duurde de hegemonie van Hessels onverminderd voort. In de eerste zes jaar na de oorlog veroverde hij vier keer de titel. Aan die reeks kwam in 1952 een einde doordat hij overstapte naar de damafdeling waar hij ook prompt kampioen werd. Als reden gaf hij op dat het schaken hem te veel van zijn nachtrust beroofde.

 

 

afb. 3: Henk Koornneef (ca. 1945)

 

Inmiddels hadden de schakers ook in het bestuur de overhand gekregen. Vanaf 1948 was alleen het penningmeesterschap nog in handen van een dammer, Jan van Laar. Voorzitter was Henk Koornneef, die in 1939 Rekké was opgevolgd na diens verhuizing naar Utrecht. Gedurende 34 jaar zou hij het boegbeeld van de club zijn. Hij combineerde dat met een reeks van andere bestuursfuncties in het verenigingsleven en een carrière in de plaatselijke politiek.

 

 

afb. 4: Joost Zwaan (1954)

 

Toen rond 1950 het Euwe-effect was weggeëbd braken er enkele magere jaren aan. Het ledental liep terug en het enige tiental slaagde er maar niet in zich uit de laagste klasse van de bondscompetitie te verheffen. Dat veranderde tegen het midden van de jaren vijftig. De toetreding van enkele nieuwe leden, onder wie vijf sterke schakers uit Wijk bij Duurstede, zorgden voor een krachtige impuls. Binnen enkele jaren promoveerde het tiental twee keer, in 1954 en 1958. De grote man in die tijd was Joost Zwaan, die zich in 1953 op 21-jarige leeftijd had aangemeld. Hij zou tot aan zijn vertrek in 1962 de titel vijf keer in de wacht slepen.

 

 

afb. 5: Het Doornse kampioensteam in 1958

 

Aan het eind van de jaren vijftig raakte de club wederom in de versukkeling. Een nieuwe poging om met een tweede tiental uit te komen liep op niets uit en in 1960 degradeerde het eerste terug naar de derde klasse. De dammers hadden het nog moeilijker. In 1962 hakten ze de knoop door en verlieten de club om zich aan te sluiten bij de damclub in Langbroek. Als argument gaven ze op ‘dat ze tegen elkaar uitgespeeld raakten’. De schakers gingen onder de naam Schaakclub Doorn verder, waarbij ze aanvankelijk veel veerkracht toonden. Wedstrijdleider Tinus Bakker ondernam verschillende initiatieven om leden te werven. Veel leverden die niet op. Toch wist de kleine club in 1963 nog een succesje binnen te halen. Dankzij de instelling van een overgangsklasse in de SGS-competitie kon het profiteren van een versterkte promotieregeling. Doorn mocht zich opnieuw 2e klasser noemen.

Vier jaar na het vertrek van de dammers moeten ook de schakers het gevoel gekregen hebben dat ze op elkaar uitgekeken waren. Afgaande op de berichtjes in de krant, die steeds schaarser werden, bezochten gemiddeld nog zo’n acht leden de clubavonden. Daarnaast zullen ook financiële overwegingen een rol gespeeld hebben bij het besluit om het bestuur van de zustervereniging in Driebergen te polsen over de mogelijkheid van een fusie.

Het Wapen van Driebergen, 1955-1966

In Driebergen werd al vanaf 1929 in clubverband geschaakt. In dat jaar zag het Driebergsch Schaak- en Damgenootschap het licht. Maar terwijl de damafdeling floreerde, leidde de schaakafdeling een kwijnend bestaan. In 1949 viel het doek toen de laatste schakers, onder wie ons latere erelid Henk Hengeveld, de club verlieten. Gedurende zes jaar zou er in Driebergen niet in georganiseerd verband geschaakt worden, zodat er ook geen doorgaande lijn loopt naar de huidige vereniging

 

 

afb. 6: Hotel Het Wapen van Driebergen

 

Op 9 september 1955 kwamen op initiatief van Jan Sonke in hotel Het Wapen van Driebergen tien schaakliefhebbers bijeen om de oprichting van een club te bespreken. Geen van hen was eerder lid geweest van het Schaak- en Damgenootschap. Hoewel de opkomst op de vergadering enigszins tegenviel, zetten zij hun plan door. Ze besloten zo snel mogelijk deel te gaan nemen aan de bondscompetitie. De naam van de vereniging ontleenden ze aan het hotel waarin ze zouden gaan spelen in de hoop dat de eigenaar in ruil enige korting op de zaalhuur zou geven. Dat pakte echter anders uit. Na tweeëneenhalf jaar werd de huur opgezegd en vanaf toen zou Het Wapen van Driebergen een steenworp verderop aan de Hoofdstraat spelen, in hotel Wapstra.

Met veertien leden begon de nieuwe club aan de onderlinge competitie. Het bestuur timmerde het eerste jaar ijverig aan de weg om leden te winnen. Hoogtepunt was de simultaanseance van de bekende Hongaarse grootmeester László Szabó in 1956, voor wiens komst Euwe had bemiddeld. De belangstelling was zo groot dat menig schaakliefhebber teleurgesteld moest worden. De lokale pers berichtte uitvoerig en met een foto over het evenement.

 

 

afb. 7: Henk Hengeveld (rechts, ca. 1957)

 

Aan het begin van het volgende seizoen telde de vereniging zo’n twintig leden, meer dan genoeg voor deelname aan de bondscompetitie. Onder de nieuwe leden was ook Henk Hengeveld, die in de jaren dertig enkele keren kampioen van het Schaak- en Damgenootschap was geweest en in 1941 zelfs kampioen van Zeist.

Al in het eerste jaar bleek de club te sterk voor de 4e klasse. De promotie bracht naast sportieve vreugde ook financiële zorgen met zich mee. In de 3e klasse was namelijk het spelen met klokken verplicht en die bezat de club onvoldoende. Het bestuur zocht en kreeg de oplossing via een renteloos voorschot van de leden. Maar het seizoen 1957-58 bracht meer problemen. Uit onvrede over de opzet van de interne competitie keerde een aantal leden de club de rug toe. Toen bovendien twee belangrijke bestuursleden, voorzitter Sonke en secretaris-penningmeester Van den Bosch, wegens een verhuizing bedankten, werd er op een extra belegde ledenvergadering ernstig getwijfeld aan de levensvatbaarheid van de club. Het waren vooral secretaris Eilert Geitz en waarnemend voorzitter Wim Möhlmann die de sombere stemming krachtig bestreden.

 

 

afb. 8: Eilert Geitz met zijn vrouw (1963)

 

Tot het begin van de jaren zestig bleef het aantal leden rond de vijftien schommelen, daarna klom de club geleidelijk uit het dal omhoog. Het ledental steeg geleidelijk tot boven de twintig, zodat in 1962 een tweede tiental kon worden afgevaardigd. Enkele nieuwe leden zouden nog lang, ook na de fusie, een actieve rol in de club spelen: Klaas Ubbels (1959), Bert Amoureus (1960), Cor Brands (1961) en Henk Strijland (1963). Ook enkele talentvolle jongeren traden toe en brachten het niveau omhoog. Zij speelden gewoon mee in de seniorencompetitie, want van een afzonderlijke jeugdafdeling was geen sprake. Enkelen van hen, zoals Hans Achterhuis (de latere hoogleraar Wijsbegeerte) en Peter van Roon, brachten het zelfs tot clubkampioen. Overigens is van veel jaren niet bekend wie de titel won. Alleen van Kees van Soestbergen en Henk Hengeveld weten we dat ze hem een of meer keren in de wacht hebben gesleept.

In het seizoen 1962-63 voltrok zich een klein wonder doordat de club net als Doorn profiteerde van de herindeling van de bondscompetitie door de creatie van een overgangsklasse. Niet alleen promoveerde het tweede tiental in zijn eerste jaar naar de 3e klasse, het eerste tiental stootte toen zelfs in één keer door van de 3e naar de 1e klasse. Het was te mooi om waar te zijn. Al na een jaar degradeerde het eerste naar de 2e klasse en weer een jaar later keerde het tweede terug naar de 4e klasse. Maar daarmee was de beker nog niet leeg. In het laatste jaar van zijn bestaan kwam het eerste tiental een half bordpuntje te kort om degradatie naar de 3e klasse te ontlopen. Door deze tegenslagen, zo concludeerde Geitz in zijn Jaarverslag over 1965-66, werd het voorstel van de Schaakclub Doorn om een fusie aan te gaan ‘met meer aandacht door bestuur en leden overwogen dan anders het geval zou geweest zijn’.

Fusie en moeilijke eerste jaren, 1966-1984

De twee clubs op de Utrechtse Heuvelrug ontliepen elkaar niet veel in sterkte. In de negen jaren dat ze allebei aan de SGS-competitie deelnamen, speelden ze er zes in dezelfde klasse. In de onderlinge wedstrijden deelden ze de buit ook broederlijk: beide teams wonnen drie keer. Opvallend is wel dat in de laatste twee seizoenen voor de fusie de Schaakclub Doorn zich de meerdere toonde van Het Wapen, hoewel dat zo’n tien leden meer telde.

 

 

afb. 9: Speellokaal Groot Salem

 

De Driebergse club verwelkomde het idee van een fusie vooral uit sportieve en financiële overwegingen, maar stelde als belangrijkste voorwaarde dat de nieuwe vereniging in Driebergen zou gaan spelen, en wel in Groot Salem. Of de naam van de nieuwe club een punt van discussie is geweest blijkt niet uit het archief. Vermoedelijk vonden beide partijen dat ‘Doorn-Driebergen’ wat makkelijker in de mond lag. Beide ledenvergaderingen keurden het fusievoorstel, dat voorzag in een proefjaar, unaniem goed.

De nieuwe vereniging meldde 34 leden aan bij de bond, te weten 13 van de voormalige Schaakclub Doorn en 21 van Het Wapen van Driebergen. Dat betekende dat bijna alle leden van de SC Doorn de overstap maakten. Na afloop van het proefjaar heerste er algemene tevredenheid over het samengaan. De enige teleurstelling betrof de matige prestatie van het eerste tiental. In plaats van een serieuze gooi te doen naar het 1e klasserschap eindigde het op de voorlaatste plaats. DD 2 en DD 3 gooiden evenmin hoge ogen in respectievelijk de 3e en 4e klasse. De strijd om het clubkampioenschap werd een Doornse aangelegenheid: Bakker won de titel na een beslissingspartij tegen Van der Kooij.

Op het bestuurlijke vlak veranderde er aanvankelijk niet veel. Pas met het aftreden van Koornneef in 1973 – hij zou een jaar later onverwacht overlijden – brak er een nieuw tijdperk aan. Binnen twee jaar zouden oudgedienden als Hengeveld, Ubbels, Bakker en Möhlmann terugtreden. Snelle wisselingen van de wacht kenmerkten de tweede helft van de jaren zeventig. De bereidheid van leden om zich in te zetten voor de club was niet groot. Dat merkte ook Wim van Dinten, voorzitter van 1976-79, toen hij probeerde de vereniging een nieuw elan te geven.

 

 

afb. 10: Wim van Dinten (ca. 1975)

 

De teleurstelling over de tegenvallende sportieve prestaties zouden voorlopig alleen maar toenemen. In het seizoen 1967-68 degradeerde het eerste tiental naar de derde klasse. Weliswaar vond het binnen een jaar de weg terug, maar het bleef sukkelen. Pas rond het midden van de jaren zeventig veranderde dat. Mede onder impuls van de geruchtmakende match tussen Fischer en Spassky in 1972 steeg het aantal seniorleden structureel naar tussen de 45 en 50, terwijl ook het aantal jeugdleden toenam.

Enkele sterke nieuwe leden en talentvolle jongeren maakten de club in het midden van de jaren zeventig duidelijk sterker. Toch verwierf het eerste tiental geen vaste plek in de 1e klasse. Tegen het eind van de jaren zeventig begon het heen en weer te pendelen tussen de 1e en 2e klasse. Voor alle drie tientallen moest te vaak een beroep gedaan worden op invallers. In 1980 hakte het bestuur de knoop door en gedurende drie jaar zou Doorn-Driebergen slechts twee tientallen afvaardigen.

Ook in de onderlinge competitie klaagden de wedstrijdleiders over de matige opkomst. Een voorstel om de groepencompetitie te vervangen door het Keizersysteem werd in 1980 op een extra ledenvergadering verworpen, mede omdat er geen computer beschikbaar was. Hoewel er veel viel aan te merken op het verloop van de competitie, kwam de titel over het algemeen wel op de juiste plek terecht. Tot 1970 kon de oude, vooral Doornse, garde, zich aan de top handhaven, daarna zou de titel in een reeks van jaren in handen vallen van nieuwe leden, van wie de meesten de club helaas kort daarna weer verlieten. Dat gold niet voor Jan Plante die in de tweede helft van de jaren zeventig de titelstrijd ging domineren en tussen 1974 en 1982 zes keer kampioen werd. Daarvan moest hij twee keer de eer delen met Joost Zwaan, die na zijn terugkeer op het verhuisde nest in 1976 nog zeven keer bovenaan zou eindigen. Van de talentvolle jongeren zouden Ben van der Berg, Frans Jacobs, Jan Willem le Grand en Gert Legemaat met succes de titel, al dan niet gedeeld, in de wacht slepen.

 

 

afb. 11: Simultaan van Gert Legemaat (ca. 1982)

 

Vanaf het begin heeft de club jeugdleden geteld, maar pas in het midden van de jaren zeventig kwam het onder leiding van Tjitte Reitsma tot een volwaardige jeugdafdeling, waarin ook plaats was voor hele jonge kinderen en er op verschillende niveaus les werd gegeven. Helaas was dit initiatief geen lang leven beschoren door een gebrek aan begeleiders. Dit was een structureel probleem en zou de geschiedenis van de jeugdafdeling tot een cyclische beweging maken.

In 1979 zette Cor Brands zijn schouders eronder en met een actieve propagandacampagne op de scholen wist hij zo’n dertig tot veertig jongeren naar de club te trekken. Een enthousiast team leidde hen op voor de verschillende examens en begeleidde hen bij het spelen in de interne en externe competitie. De jeugdafdeling bloeide als nooit tevoren, maar tegelijk drong het besef door dat ze kwetsbaar was doordat het begeleidingsteam uiteen zou kunnen vallen. In het seizoen 1983-84 manifesteerden zich de eerste tekenen van een naderende crisis die twee jaar later in volle hevigheid zou uitbarsten.

 

 

afb. 12: Wim van Weeren (jaren negentig)

 

De vereniging kreeg ook een eigen orgaan, Het Spionnetje, waarvan het eerste nummer in 1975 verscheen. In de naam herleefde het clubblad van Het Wapen van Driebergen dat al na enkele jaren ter ziele was gegaan. De redactie kwam in handen van de secretaris. In 1982 werd dat Wim van Weeren die het omslag ontwierp dat het blad tot 2015 heeft gesierd. Gijs van Barneveld slaagde er in korte tijd in zeven bladzijden te vullen met advertenties van de lokale middenstand waardoor er zelfs een batig saldo overbleef.

Behalve de interne en externe competitie organiseerde de club jaarlijks enkele gezelligheidstoernooien, meestal in de vorm van snelschaken of partijtjes met afwijkende spelregels. Fameus waren in de jaren tachtig de eierentoernooien met Pasen, waarvoor Henk Hengeveld telkens enkele honderden eieren leverde. Een meer serieus karakter had het in 1980 voor het eerst georganiseerde Rapidtoernooi. Het zou spoedig uitgroeien tot het belangrijkste instrument om aan het begin van elk seizoen nieuwe leden te werven.

Een dynamische vereniging, 1984-1999

In de laatste vijftien jaren van de vorige eeuw maakte de vereniging een onstuimige groei en belangrijke veranderingen door. De toename van het aantal seniorleden in deze periode was structureel. Telde de club in de jaren zeventig tussen de veertig en vijftig leden, in 1987 werd voor het eerst de sprong gemaakt naar zestig. Wel was er gedurende de hele periode sprake van een komen en gaan. In het door hem vervaardigde jubileumnummer van het clubblad in december 1994 berekende Wim van Weeren dat zich in de voorafgaande tien jaar maar liefst 91 nieuwe seniorleden hadden aangemeld, maar dat ook 78 leden hadden bedankt. Gedurende de jaren negentig zou het aantal rond de zestig blijven schommelen, met een piek van 67 in 1995.

 

 

afb. 13: Zwaan, Weenink en Van der Wal (vrnl) spelen simultaan tegen de jeugd (ca. 1987)

 

De vereniging slaagde er tot 1994 in een bij tijd en wijle bloeiende jeugdafdeling in stand te houden. Enkele jongeren, zoals Jelmer Jens en Paul de Pender zouden zich tot de top van de Nederlandse jeugd ontwikkelen. Jelmer bracht het later zelfs tot internationaal meester. Gedurende een aantal jaren zou de club een groots opgezet open toernooi organiseren, waaraan vanaf 1986 een titelstrijd verbonden was: het Jeugdkampioenschap van de Stichtse Heuvelrug in drie leeftijdscategorieën.

Het intensieve karakter van de begeleiding van een grote jeugdafdeling legde een zwaar beslag op een klein aantal leden. Het grootste probleem was dat het werk voor de jeugd moeilijk te combineren viel met een eigen schaakpartij later op de avond. Leden waren wel bereid dat een aantal jaren te doen, maar vonden dat daarna anderen die taak dienden over te nemen. In 1986 kon het, na het aftreden van Cor Brands, nog ternauwernood tot een doorstart komen. In het seizoen 1992-93 leidde een vergelijkbare poging niet tot een duurzame oplossing. Anderhalf jaar later zag de vereniging zich genoopt de clubavonden voor de jeugd stop te zetten.

Op het bestuurlijke vlak was er sprake van een grote mate van continuïteit. In de belangrijke functies bleven mensen lang op hun post. Dat was een groot verschil met de jaren zeventig. Het was ook een dynamisch bestuur en dat verklaart in belangrijke mate de groei van de vereniging in deze periode. De voorzitters Hein van der Wal (1984-89) en Han de Wit (1989-1999) genoten veel respect voor de wijze waarop ze leiding gaven aan de veranderingsprocessen. Een bescheiden, hardwerkende kracht op de achtergrond was Wim van Weeren, die afwisselend, en soms gecombineerd, de functies van secretaris, penningmeester en externe wedstrijdleider met grote inzet en enthousiasme vervulde. Bovendien voerde hij zestien jaar de redactie van Het Spionnetje, wat in het précomputertijdperk bepaald geen sinecure was.

Een voorwaarde voor een bloeiende vereniging is natuurlijk een goed gevulde schatkist. Vooral penningmeester Dirk Rijneker betoonde zich vindingrijk in het aanboren van financiële bronnen. Zo wist hij in 1994 slagerij Marlet over te halen zijn naam aan de club te verbinden in ruil voor een mooi sponsorbedrag.

 

 

afb. 14: Dirk Rijneker (links) en Henk Strijland (1992)

 

De man die het meest zijn stempel op dit tijdvak drukte was Henk Strijland, van 1984 tot 1996 interne wedstrijdleider. Hij was een onvermoeibare, nadrukkelijk aanwezige bestuurder, voortdurend op zoek naar de perfecte competitieopzet. Hij verzorgde ook de berichtgeving in de media en speelde een belangrijke rol in het bedenken en organiseren van evenementen. Hoogtepunten waren de lustrumvieringen om de vijf jaarnaar later bleek telkens een jaar te vroeg – waarvoor een goed gevuld jubileumfonds beschikbaar was. Vooral de viering van het zestigjarig bestaan in 1994 met simultaanseances van Rob Hartoch en toenmalig Nederlands kampioen Paul van der Sterren was een groot succes.

 

 

afb. 15: Jubileumsimultaan van Paul van der Sterren

 

Het functioneren van de groepencompetitie was ook in deze periode een discussie zonder eind op de jaarvergaderingen. Alle denkbare varianten werden uitgeprobeerd totdat in 1992 alsnog werd overgegaan op het Keizersysteem. Het bleek dat je ook daaraan kunt sleutelen – één of twee groepen, wel of geen kampioensgroep – en dat werd dan ook volop gedaan. Strijland was geen computerman, dus deed hij het ambachtelijke rekenwerk zelf.

 

 

afb. 16: Gert Legemaat neemt zijn eerste kampioensbeker in ontvangst uit handen van Han de Wit (1995)

In de jaren tachtig domineerden vooral Joost Zwaan, Frans Jacobs en Jac Weenink de titelstrijd. Een decennium later kwamen daar nieuwe namen bij: Eric Bies, Gerrit Jan Hoevers, Peter van Cappelle, Gert Legemaat en Bert van Oudvorst. Het was een brede top van wie werd gehoopt dat die DD 1 naar een hoger plan zou tillen. Dat viel tegen. Weliswaar deed het team het een stuk beter dan in de jaren tachtig, maar dat kon ook moeilijk anders. In 1985 was DD 1 onverwacht uit de 1e klasse gedegradeerd en het zou drie jaar duren alvorens de weg terug gevonden werd. In de jaren negentig speelde het meestal een rol in de subtop en soms de top van de 1e klasse, meer zat er niet in.

 

 

afb. 17: Bert van Oudvorst (links) en Frans Jacobs strijden om de titel (1996)

De club was in de breedte duidelijk sterker geworden. In het seizoen 1987-88 was ze in alle vier klassen van de SGS met een team vertegenwoordigd. Maar vaker kwam het voor dat twee teams in dezelfde klasse speelden. De krachtsverschillen ontliepen elkaar niet veel en het kwam zelfs voor dat een lager team in dezelfde klasse beter presteerde dan een hoger team. Een sportief hoogtepunt werd in het seizoen 1997-98 bereikt toen twee teams in de 1e klasse speelden, terwijl DD3 en DD 4 allebei de sprong naar de 2e klasse maakten.

In 1992 nam Peter van Cappelle het initiatief om met koninginnedag een Oranjetoernooi te organiseren, dat voor iedereen openstond. In samenwerking met de Oranjevereniging zou het vier achtereenvolgende jaren in de sfeervolle ambiance van Sparrendaal, het oude raadhuis van Driebergen-Rijsenburg, gespeeld worden. Er kwam een einde aan toen de gemeente deze locatie niet meer ter beschikking stelde. Het Rapidtoernooi, dat traditiegetrouw op de eerste twee clubavonden van het seizoen wordt gehouden, vond wel onafgebroken doorgang. Nieuw was het clubkampioenschap snelschaken waartoe Jan Hellevoort in 1992 het initiatief nam. Hij zorgde er ook voor dat vanaf toen de club vertegenwoordigd was op het snelschaakkampioenschap van de SGS.

 

 

afb. 18: Het Oranjetoernooi in 1996 met op de voorgrond Peter van Cappelle tegen Jan Hellevoort

Tegen het eind van de jaren negentig vonden er op grote schaal bestuurswisselingen plaats. Henk Strijland tobde al enige tijd met zijn gezondheid en in januari 1996 kondigde hij aan na afloop van dat seizoen te willen stoppen met het wedstrijdleiderschap. Zijn gezondheid ging daarna snel achteruit en op 1 februari van het volgend jaar kwam het bericht van zijn overlijden. Als blijk van waardering voor het vele werk dat hij voor de club heeft gedaan werd het Rapidtoernooi voortaan naar hem vernoemd. Gert Legemaat volgde hem op als interne wedstrijdleider.

In 1998 nam Dirk Rijneker noodgedwongen afscheid van de club – hij verhuisde naar Texel – en Wim van Weeren kondigde aan in verband met zijn leeftijd te willen stoppen. Net als Henk Strijland zou Wim niet lang van zijn rust kunnen genieten; na een langdurig ziekbed zou hij op 24 mei 2001 overlijden. Ten slotte besloot in 1999 Han de Wit dat het na tien jaar welletjes was. Hij droeg de voorzittershamer over aan Pim Jongeneel. Op dat moment wees niets erop dat de vereniging enkele jaren later in zwaar weer zou terechtkomen.

Kleiner en grijzer, 1999 – …

Rond de eeuw- en millenniumwisseling maakte de club nog een vitale indruk. Er werd druk aan de weg getimmerd: er waren cursussen voor zowel leden als niet-leden, het clubblad kreeg een facelift, de jeugdafdeling werd heropgericht, er kwam een schoolschaakkampioenschap en voor het eerst in haar geschiedenis werd een groot, jaarlijks terugkerend open toernooi georganiseerd, het Heuvelrugtoernooi. Louis Hijweegen, die in 1999 als jeugdleider tot het bestuur toetrad, was de stuwende kracht achter de meeste initiatieven.

 

afb. 19: Louis Hijweegen reikt de beker uit aan Jan Prins de winnaar van het eerste Heuvelrugtoernooi in 2001

 

Toch sluimerden onder de oppervlakte al de negatieve trends waar zoveel schaakverenigingen in het land mee te kampen kregen: afnemende belangstelling voor het schaakspel, vooral onder jongeren, met als gevolg ledenverlies, vergrijzing en financiële zorgen. Het was veelzeggend dat de vele inspanningen om leden te werven zo weinig resultaat opleverden. Dat het aantal seniorleden tot 2005 vrij constant bleef, schommelend tussen de 55 en 60, was meer te danken aan het betrekkelijk geringe verloop dan aan de toetreding van nieuwe leden. Hoe moeilijk het werd om leden te werven bleek toen de club in het midden van het decennium door onvoorziene omstandigheden in een crisis geraakte. We moesten naar een nieuw clublokaal uitkijken omdat de kerk de verhuur van De Enk stopzette. Het lukte niet om een zaal te vinden waar we op maandagavond konden blijven spelen. Na lang wikken en wegen verhuisden we naar ’t Hoge Licht en werd de donderdagavond onze clubavond. Dat heeft ons veel leden gekost. Binnen twee jaar daalde het aantal seniorleden naar ongeveer veertig. Op zichzelf beviel het ons in ’t Hoge Licht goed en heel geleidelijk begon het ledental weer omhoog te kruipen. Het ligt nu al enkele jaren tussen de 45 en 50 en dat is een aantal waarop we in de regio best trots kunnen zijn. Maar net als elders baart de gemiddelde leeftijd zorgen. De vereniging telt onder haar seniorleden geen twintigers en dertigers, terwijl de gepensioneerden sterk oververtegenwoordigd zijn.

 

 

afb. 20: ‘t Hoge Licht werd in 2005 ons nieuwe onderkomen

 

De door Louis Hijweegen heropgerichte jeugdafdeling kwam aanvankelijk op een andere avond bijeen dan de senioren. Zo hoopte men dat meer leden bereid zouden zijn een steentje bij te dragen. Dat viel echter flink tegen. Behalve Louis was Peer van Putten een vaste kracht; beiden hadden talentvolle dochters op de club. Ondanks de problemen met de begeleiding ontwikkelden enkele jongeren zich zodanig dat ze zich konden meten met de top van de SGS. Bij de meisjes waren dat de zusjes Claudia, Amanda en Natasja Hijweegen en Anne en Nienke van Putten, terwijl bij de jongens Wesley Vermeulen en Wouter Berkhout zich als talenten ontpopten.

 

 

afb. 21: Trotse jeugdleden (2000)

 

Behalve de lessen op de club volgden de meesten van hen ook enkele jaren de centrale training van de bond. Al die inspanningen werden beloond met diverse titels en overwinningen in toernooien. Los van de jeugdafdeling van de club startte Louis een wedstrijd om het kampioenschap van de Utrechtse Heuvelrug voor basisschoolteams. Dat zou een groot succes worden dat ook na het vertrek van Louis door een team van clubleden onder aanvoering van Gerrit Jan Hoevers zou worden voortgezet.

 

 

afb. 22: Gerrit Jan Hoevers houdt de stand bij op het schoolschaakkampioenschap (2010)

Net als in de eerdere cycli van onze jeugdafdelingen begonnen zich na enkele jaren de eerste tekenen van een crisis te manifesteren. Om de kosten te drukken ging de jeugd in 2004 op dezelfde avond als de senioren spelen. Het betekende slechts uitstel van executie. In 2006 besloot Louis Hijweegen te stoppen als jeugdleider. Nadat het bestuur vergeefs naar een opvolger had gezocht trok het de stekker eruit, waarna de vereniging het enkele jaren zonder jeugdafdeling zou stellen. Dat duurde tot 2011, toen nam Peter Rijsdijk het initiatief tot wat hij noemde een ‘schaakinstuif’. Voorafgaande aan de clubavonden van de senioren gaf hij schaakles en liet hij partijtjes spelen. Met de ervaringen in het verleden in het hoofd, koos het bestuur voor een veel bescheidener opzet: de kinderen, allen van de basisschoolleeftijd, hoefden geen lid te worden, geen contributie te betalen en het bijwonen van de clubavonden was vrijblijvend. Het aantal deelnemertjes overschreed nooit de tien, maar eigenlijk was dit voor Peter, die de instuif alleen runde, een prima aantal. Belangrijk was dat ze er plezier in hadden en dat bewezen ze met een trouwe opkomst.

 

 

afb. 23: De speelzaal in ’t Hoge Licht

De verhuizing naar de mooie maar duurdere zaal van ’t Hoge Licht en het geslonken ledental vergrootten de reeds bestaande financiële zorgen van de club. In 2000 had de gemeente Driebergen-Rijsenburg de subsidie stopgezet en twee jaar later staakte slagerij Marlet, die van eigenaar veranderd was, haar sponsoring. Deze reeks van ongunstige ontwikkelingen dwong de club de contributie in vier jaar tijd twee keer met veertig procent te verhogen. Gelukkig kwam het kerkbestuur later de vereniging enigszins tegemoet door de huur te verlagen.

 

 

afb. 24: Ronald Stomphorst won de eerste editie van het Shuffletoernooi (1999)

 

Een jaar nadat hij gestopt was als jeugdleider verliet Louis Hijweegen met zijn dochters de club. Hij wilde zijn handen vrij maken voor de door hem opnieuw op te richten schaakvereniging de Doredenkers in zijn woonplaats Wijk bij Duurstede. Het bestuur besloot daarop, mede in het licht van de financiële problemen, niet door te gaan met het Heuvelrugtoernooi. De interne toernooien, het Henk Strijlandtoernooi en het Snelschaakkampioenschap, na diens overlijden in 2011 naar Henk Hengeveld vernoemd, bleven wel op de kalender staan. Er kwamen in deze periode enkele gezelligheidstoernooien bij: een random chess toernooi dat bij ons Shuffletoernooi ging heten en vernoemd werd naar Henk van Hof die het bedacht en sponsorde, het Oliebollenparentoernooi en een simultaanwedstrijd tussen de drie hoogst geëindigden in de interne competitie op de laatste clubavond van het seizoen. Een eenmalig en heel geslaagd evenement was de Damessimultaanavond in 2013, waarvoor Zhaoqin Peng en Desiree Hamelink waren uitgenodigd.

 

 

afb. 25: De groepswinnaars van het Jubileum Rapidtoernooi (2010)

 

In 2010 vierde de club op uitgebreide schaal haar 75-jarig bestaan. Mede omdat er enige verwarring was over de vraag of de SC Doorn, de oudste van de twee fusieclubs, in 1934 dan wel 1935 was opgericht, besloot het bestuur de viering over het hele jaar uit te smeren. We begonnen in januari met een simultaanvoorstelling van twee prominente oud-leden: Gert Legemaat (neef van …) en Jelmer Jens; in mei volgde een meerkamp tegen teams van de SC Zeist, Woerden, de Doredenkers en Ons Genoegen. Zij speelden vier matches tegen vier teams van onze vereniging. Eind juni toog een delegatie van onze vereniging naar het Max Euwe Plein om deel te nemen aan het jaarlijkse schaakfestival waarvoor de clubs waren uitgenodigd die in het Euwejaar 1935 waren opgericht. De festiviteiten werden in december afgesloten met een reünie in de vorm van een rapidtoernooi. Onder de 53 deelnemers waren maar liefst twintig oud-leden, onder wie enkele zeer oude bekenden. Jan Willem leGrand won het toernooi. Aan het eind van de dag werd het door Rob van Vuurde geschreven jubileumboek, In Euwes voetspoor, gepresenteerd. We konden terugkijken op een zeer geslaagd jubileumjaar.

 

 

afb. 26: Rob van Vuurde reikt het eerste exemplaar van het Jubileumboek uit aan Joost Zwaan

 

Het tachtigjarig bestaan in 2015 werd op aanmerkelijk bescheidener wijze herdacht: het Van Hoftoernooi in april werd voor de gelegenheid ‘opgepimpt’. Daarnaast kwam in december, de eigenlijke oprichtingsmaand, een extra dik en fraai uitgegeven jubileumnummer van ons clubblad uit. Oud-clubkampioenen haalden daarin herinneringen op en analyseerden een of meer gedenkwaardige partijen, terwijl redacteur Rob van Vuurde een feitelijk overzicht gaf van de ontwikkelingen in de vijf jaren na het vorige jubileum. In februari 1916 verscheen nog een jubileumnummer, nu ter gelegenheid van het veertig jarig bestaan van Het Spionnetje. Het bevatte een bloemlezing van opmerkelijke artikelen, waarvan de oudste dateerde uit 1957 en de jongste uit 2009. De glanzende kleurenomslag van beide nummers met daarop de afbeelding die Nilüfer Karayilan voor de website had ontworpen zou vanaf toen het clubblad blijven sieren.

De opzet van de interne competitie onderging in deze periode weinig verandering. De enige belangrijke werd in 1999 genomen. De algemene ledenvergadering besloot toen – eindelijk – dat partijen voortaan niet meer konden worden afgebroken, iets wat in de bondscompetitie al enkele jaren eerder was ingevoerd. Er moest een bestuurscrisis aan te pas komen om dat hete hangijzer uit de wereld te helpen. Het Keizersysteem zelf is niet meer principieel ter discussie gesteld, terwijl de Kampioensgroep constant uit de zes hoogstgeplaatste na de eerste helft bleef bestaan. Wel werd om de mindere schaakgoden onder ons meer spanning te bieden in 2006 besloten binnen de Keizercompetitie twee groepen te onderscheiden, in 2013 uitgebreid tot vier. De winnaars van de groepen kregen een fles wijn en mochten promoveren, terwijl de laagst geplaatsten het lot van degradatie wachtte.

In 2000 kwam er een einde aan de dominantie van Gerrit Jan Hoevers, die de kampioenstitel drie keer op rij in de wacht had gesleept. Er brak een stadhouderloos tijdperk aan waarin vier verschillende leden zich achtereenvolgens de sterkste toonden: Bert van Oudvorst, Gert Legemaat, John Bink en de jeugdige Claudia Hijweegen. In het seizoen 2003-04 diende zich echter een nieuwe hegemonist aan in de persoon van Gert Legemaat. Hij werd toen voor de derde keer clubkampioen en zou in de volgende twee jaren de vijf volmaken. Daarna vond hij in Johan de Groot, die in 2004 lid was geworden, een gelijkwaardige rivaal. Deelden ze in 2008 nog de titel, een jaar later zou Johan alleen met de eer strijken. Daarna wisselden ze elkaar af totdat in 2017 de op het oude nest teruggekeerde oud-kampioen Eric Bies er verrassend met de beker vandoor ging.

 

afb. 27: Johan de Groot neemt een van zijn vele prijzen in ontvangst (Strijlandtoernooi 2009)

 

De daling van het ledental weerspiegelde zich in het aantal teams dat kon worden afgevaardigd naar de competitie van de SGS. Speelden er in het seizoen 1998-99 nog twee teams in de 1e klasse, twee teams in de 2e klasse en één team in de 4e klasse, vanaf 2005 werd onze club nog slechts met drie achttallen en een viertal vertegenwoordigd. De achttallen zaten vastgeroest in hun klasse, ze promoveerden niet en degradeerden ook niet, het viertal daarentegen slaagde er drie keer in kampioen te worden. Op de jaarvergadering van 2017 werd onverwacht het besluit genomen om het viertal te vervangen door een vierde achttal.

Voorzitters zijn in onze vereniging geen eendagsvlinders. Zij waarborgen de continuïteit in het bestuur. Na de tien jaar van Han de Wit, zouden Pim Jongeneel (1999-2008) en Gerrit Jan Hoevers (2008-2017) het elk negen jaar volhouden. Vooral gepensioneerde leden aanvaardden bestuurs- en andere functies. Dat gold voor beide voorzitters, maar ook voor Leo Lewin (penningmeester), Jan Hellevoort (extern wedstrijdleider), Henk van Hof en Renee Brands (materiaalbeheerders) en Rob van Vuurde (redacteur). Uitzonderingen waren bijvoorbeeld Ronald Stomphorst (secretaris), Louis Hijweegen en Peter Rijsdijk (jeugdleiders), Peter Egelie (o.a. materiaalbeheerder) en de achtereenvolgende interne wedstrijdleiders, van wie Gert Legemaat veruit de langste staat van dienst heeft (1996-2004 en 2009-heden).

 

 

afb. 28: Het bestuur in 2001, vlnr: Stomphorst, Jongeneel, Hellevoort en Lewin

 

Na de bloeiperiode in de jaren negentig moest het team van Jongeneel zich door de crisis ten gevolge van de gedwongen verhuizing heenslaan. Hoevers en de zijnen hadden het minder zwaar. Weliswaar kregen ook zij met een verhuizing te maken, in 2015 terug naar het oude doch vernieuwde nest van Salem, maar die ging niet gepaard met een verandering van clubavond en ledenverlies. Ook de financiën gaven minder reden tot zorgen, al was daar wel een relatief hoge contributie (135 euro) voor nodig. Het bestuur had de middelen om te investeren in de toekomst en deed dat door de aanschaf van nieuw spelmateriaal, zoals schaakstukken en digitale klokken.

 

 

afb. 29: De nieuwe voorzitter Peter Rijsdijk spreekt de vergadering toe (2017)

 

In 2015 begon een opmerkelijke verjonging van het bestuur die twee jaar later haar beslag kreeg met de benoeming van Peter Rijsdijk tot voorzitter. Herbert Meinders en Herman Schreuder werden respectievelijk de nieuwe penningmeester en secretaris. Belangrijk was dat Eric Bies na zijn terugkeer zich energiek voor de club ging inzetten. Hij ontfermde zich over onze sterk verouderde website, die hij een interactief karakter gaf met tal van nieuwe mogelijkheden. Dit jonge bestuur zal als belangrijkste opgave krijgen de club door de aanhoudende problemen van de vergrijzing heen te helpen. Het kan dat doen vanuit een gezonde basis.

(Rob van Vuurde, oktober 2017)

Reageren is niet mogelijk