SchaakVereniging Doorn-Driebergen

HET SPIONNETJE

Het clubblad van de Schaakvereniging Doorn-Driebergen, dat luistert naar de naam Het Spionnetje, verschijnt zesmaal per jaar. In 2008 begint het aan zijn 33ste jaargang, wat niet wil zeggen dat het ook 33 jaar onafgebroken is uitgekomen. Het eerste nummer zag het licht in 1955 als orgaan van de Schaakvereniging "Het Wapen van Driebergen", een van de twee voorlopers van de huidige fusieclub. Het heette toen nog speels Het S-Pionnetje en was bedoeld als maandblad. Dat bleek te hoog gegrepen; na twee jaar ging het blad al ter ziele. Twintig jaar later - en zo'n tien jaar na de fusie - kwam het tot een wedergeboorte. Met gevoel voor het verleden werd de oude naam in ere hersteld, al kwam nu de letter S tussen haakjes te staan (tegenwoordig worden die haakjes meestal weggelaten). Het blad verscheen een paar keer per jaar en werd in A-4 of folio gestencild door mevrouw Koorneef, de weduwe van de vroegere voorzitter van de Schaakclub Doorn, die over een eigen stencilmachine beschikte.

In 1982 onderging het blad een gedaanteverwisseling, die alles te maken had met het aantreden van wijlen Wim van Weeren als coördinator. Voortaan werd Het Spionnetje gedrukt met een fraai nieuw omslag en met advertenties om de kosten te dekken. Voor het inzamelen van de advertenties maakten eerst Gijs van Barneveld en later Piet van der Heide zich verdienstelijk. Gedurende zestien jaar zou Van Weeren maar liefst 98 nummers het licht doen zien, elk jaar zes, zoals met de adverteerders was afgesproken. Hij ontwierp zelf de frontpagina die nog steeds het blad siert. Met veel plak- en knipwerk paste hij de advertenties aan en maakte hij diagrammen bij de partijanalyses. Het coördinatorschap was in het précomputertijdperk bepaald geen sinecure.

Om de drukkosten te verlagen werd in 1988 overgegaan op het huidige A-3 formaat. Schertsend verdedigde Van Weeren dat besluit door erop te wijzen dat het kleinere formaat meer recht deed aan de naam van het blad. Voor hemzelf had deze verandering vergaande gevolgen, want het redactiewerk werd er aanzienlijk gecompliceerder door. Voortaan moest het aantal bladzijden een veelvoud van vier zijn. De drukker maakte namelijk van telkens vier A-4 velletjes één dubbelzijdig gedrukt A-3 velletje. Ga daar maar eens aanstaan zonder computer! Pas als alle bijdragen binnen waren kon Wim schatten hoeveel tekst er op een pagina moest en of hij zelf voor aanvullende kopij moest zorgen. Voor dat laatste had hij altijd wel iets achter de hand: een cartoon, een partijanalyse of een zelfgemaakt portret van een grootmeester.

In 1998 droeg Wim van Weeren, die toen al kampte met gezondheidsproblemen, zijn werk over aan de huidige redacteur Rob van Vuurde. Deze liet de opzet van het blad in grote lijnen ongewijzigd, maar kon dankzij de moderne techniek de vormgeving verder verfraaien. Zo maakte de introductie van de pc het mogelijk de lay-out te uniformeren en foto's af te drukken. Inhoudelijk veranderde er minder. Vanouds hebben wedstrijd- en toernooiverslagen, de standen van de interne en externe competitie en partijanalyses de inhoud van het blad gedomineerd. Zij werden aangevuld met losse artikelen en bijdragen in rubrieken als "De Blunder- en Schwindelhoek", "Mijn Favoriete Opening" en "Finesses". Ter illustratie volgen hieronder enkele recente artikelen uit ons clubblad.
 
 

Uit Het Spionnetje van 20 december 2007:

DE TELOORGANG VAN FINESSES

door Joost Zwaan

De stelling (in de zin van 'statement') verdedigd in dit stukje zal zijn:

Het schaker en schaakspel ont-erende uitvluggeren van een partij na de 40e zet, zoals thans gebruikelijk, brengt het merendeel van de daarin verborgen liggende en sluimerende finesses op drieste wijze omzeep.

Om als advocaat van de duivel te beginnen: er is een keerzijde aan deze medaille wat het menselijk welzijn betreft. Want het naderhand uitspelen van zo'n partij bracht met zich mee dat men in die tussentijd ampel de gelegenheid had de analyse te bedrijven en die gelegenheid greep men vaak met beide handen aan. Dat had bepaald zo zijn schaduwzijden, om het zacht uit te drukken. Ik behoef daartoe slechts de hand in eigen boezem te steken.

Niet zelden liep ik in periodes van afgebroken partijen als een somnambuul (= slaapwandelaar, maar dat woord is veel minder beeldend) door het huis met enkel en alleen de afgebroken partijstelling in het hoofd, onontvankelijk voor alle andere aspecten van het leven waaronder de geneugten maar ook verplichtingen van het gezinsleven. Het ordentelijk vervullen van de functies als vader en echtgenoot: wat bleef ervan over waar zelfs de geringste participatie aan simpele huishoudelijke taken er schromelijk bij inschoot?

Allemaal waar, maar ons als schaker dient toch vooral te bedrukken dat het spel en de mens als speler hier een onherstelbaar verlies hebben geleden.

Neem nu bijv. de laatste partij tussen Gert Legemaat en mij, gespeeld op 6 december 2007, die na een veelbelovend begin door gruwelijke wederzijdse tijdnood zo wreed ontsierd werd. Het woord 'veelbelovend' is daarbij vooral van toepassing op Gert die zich niet ontzien had mij via een onregelmatig gespeelde opening zo'n 2 à 3 pionnen te ontfutselen. Doordat zijn stukken daarna niet helemaal prettig stonden lukte het mij het verlies uiteindelijk tot één pion te reduceren en dat leidde na de 31e zet van zwart tot de volgende stand:

Wit (Legemaat) : Ke2, Le4, Pb5, pionnen d4, e5, f2, f3 en h2
Zwart (Zwaan): Kg7, Lb2, Pc4, pionnen e6, f7, g6 en h6

Het totnutoe redelijke beloop van de partij vervolgde met: 32... Pa3 (aanbod van paardruil, waarna de lopers van ongelijke kleur de witte pluspion geheel irrelevant zouden hebben gemaakt; ik bood hier dan ook remise aan); 33. Pd6! Een leuke poging! De pluspion gaat nu weliswaar verloren maar het zwarte paard kan voorlopig nergens heen. Daar staat dan weer tegenover dat ook de witveldige witte loper in zijn acties beperkt is en dat de witte koning een lange mars zal moeten ondernemen om dat paard werkelijk te bedreigen. Twee zaken die ik in mijn laatste paniekminuten onvoldoende naar waarde heb geschat.

33. ... Lxd4. Vanaf dit moment kan ik absoluut niet meer wijs uit mijn notaties. Wit zal wel ter dekking van pion e5 34. f4 gespeeld hebben maar dat had zwart heel goed met ... g5 kunnen beantwoorden. Bijv.: 35.Kd3 Lxf2; 36. f5 exf5; 37. Pxf5+ Kg6. Eén van de mogelijkheden voor zwart is dan dat hele paard maar te laten schieten om zich bezig te houden met de afruil van wits paard en e-pion. Voor die twee elementen mag hij loper, paard en drie pionnen over hebben om met de koning alleen tegen de witte h-pion en de witveldige witte loper een gemakkelijke patremise te bereiken.

Ik denk echter dat ik in mijn angst het paard te verliezen geen 34. .... g5 heb gespeeld maar iets heel doms heb gedaan waardoor ik binnen de kortste keren veel van het mij nog resterende hout ben kwijtgeraakt. Geen fraaie remisevarianten dus, al dan niet gelardeerd met dreigingen en tegendreigingen. Geen finesses. Dom geschuif.

Maar dom gedoe of niet, er kan altijd iets interessants uit voortkomen. Bij ons was dat het klassieke eindspel dat zo zelden voorkomt: koning, paard en loper tegen koning sec. Een minimum aam matpotentieel met maximale moeilijkheidsgraad. Ik voor mij heb dat maar éénmaal in mijn 60-jarige schaakleven mogen beleven, een jaar of tien geleden toen een partij nog fatsoenlijk uitgespeeld werd. Je dient het kunststuk in een bepaald aantal zetten te klaren; als dat je niet lukt mag de tegenstander remise opeisen.

Het was een finesse waarop men zich terdege kon voorbereiden. Een finesse die nu verloren gaat, of al verloren is gegaan, want wie kan dat in een luttel minuutje voor elkaar krijgen? Alleen al het tellen van de eraan bestede zetten is een hele opgave.

Men zal dit kunststukje dus niet meer gedemonstreerd of zelfs maar geprobeerd zien worden aan het bord. Weg, finesse.
 
 

Uit Het Spionnetje van 20 december 2007:

HET IS MAAR EEN SPELLETJE (8)

door Gerrit Jan Hoevers

Ik geloof in Sinterklaas zoals elke schaker, ook al ben ik me dat maar eens per jaar bewust. Al mijn overwegingen zijn gegrond op regels die vanuit de traditie zijn doorgegeven; regels die het verdienen om bij een rituele inwijding te worden geopenbaard. Het zijn de geheimen van een succesvolle partijvoering.

Oog om oog, tand om tand! Symmetrie bewaren is de intuïtieve strategie. Ongewis zijn oog om tand, tand om oog. Jij bent blind voor zijn bewegingen, maar hij mist de tanden om in jouw nek door te bijten. Wie is in het voordeel? Een juiste taxatie is van levensbelang. Het antwoord is niet te berekenen. Door schade en schande moet men wijs worden.

De schaker krijgt het antwoord zonder veel omhaal. Na de spelregels leert hij de bekende waardenschaal: dame 10 punten, toren 5, enz. Dit is de richtlijn bij afruil. Zonder veel omhaal, maar in deze simpele schaal kristalliseert de vreugde en het verdriet van eeuwenlang schaken zich uit. Het is de ervaringswijsheid van grote schakers die zich bezonnen op de reden van winst of verlies. Het is in wezen mysteriewijsheid die maar ten dele voor de rede toegankelijk is.

Het is begrijpelijk dat de dame ongeveer even sterk is als de loper en toren samen, want ze verenigt in haar beweging de loop van beide stukken. De kern van het onbegrepene is het paard. Hier telt niet zozeer de actieradius in het open veld, maar het vermogen om over muren te springen, om via een extra dimensie een vesting binnen te dringen. Het paard is als het ware een ongrijpbare, grillige natuurkracht, tegenhanger van de heldere rechtlijnigheid van de loper.

Loper en paard staan voor de twee essentiële elementen van het spel: het planmatige en de onverwachte mogelijkheid. Ze horen bijeen. Het grote raadsel is waarom beide in de praktijk evenveel waard zijn. Vraag niet waarom, zegt de traditie, handel in vertrouwen. En dat doen schakers.

Ze verschillen daarin niet van mijn kleindochter die gelooft in de belofte van vervulde verlangens als ze de Sint toezingt en een wortel in haar schoen doet. Ook zij houdt de bisschop en het paard gelijkelijk in ere.
 
 

Uit Het Spionnetje van 28 december 2006:

GROOTMOEDIG (4): DE VELDSLAG

door Johan de Groot

De beginstelling is verraderlijk en vol naderend strijdgewoel. We zijn getuige van de Slag bij Cambridge Springs. De heldhaftige opstelling van gegroepeerde witte en zwarte stukken op gepaste afstand van elkaar, met het slagveld er tussen. Wit en zwart tegenover elkaar, met de blik naar voren. Vanuit de verte kunnen de witte en zwarte legers elkaar beloeren en hun plannen smeden. "Wij gaan wel eerst vooruit" roepen de witte pionnen (1. d4). Bij het zwarte leger wordt even nagedacht, en men besluit het centrale deel van het slagveld te blokkeren (1…d5).

"We kunnen niet allemaal winnen", roept de witte c-pion, "ik offer me wel op" (2. c4). "Het is een val", roepen de zwarte stukken tegen hun voorpost, "eerst dekking zoeken" (2… e6). "De paarden naar het slagveld" wordt er vervolgens in beide legers geroepen (3. Pc3 Pf6). Vervolgens wordt de witte loper op verkenning gestuurd naar de zwarte dame (4. Lg5 …), waarop de zwarte cavalerie zich verder versterkt (4… Pbd7). "Het is een val" roepen de witte stukken nu. "Als we veld d5 proberen te veroveren wordt onze koning zo zwaar aangevallen dat we de slag verliezen" (5. cxd5 exd5 6. Pxd5 Pxd5 7. Lxd8 Lb4+).

"Geef mij eens wat ruimte!" roept de witte koning (5. e3 …). "Stelling versterken", roept de koene zwarte dame (5... c6), die loert op een kans in actie te komen. Als ze het andere witte paard in de verte het strijdtoneel ziet naderen (6. Pf3 …) besluit ze tot een verrassende flankuitval (6... Da5). Het witte leger is even beduusd, en besluit vervolgens de cavalerie te groeperen om de dreigende zwarte paardeninvasie op e4 te beteugelen. (7. Pd2 …). De zwarte loper plaatst zich moedig voor de dame in de aanvalspoging (7… Lb4). Het witte koninklijk paar pleegt overleg. "Niets aan de hand", zegt de dame. "Ik ga wel even poolshoogte nemen" (8. Dc2 …). "Nu" roept de zwarte koning vanuit de verte. De zwarte pion op d5 velt de witte soldaat op c4, en kijkt onverschrokken naar zijn tegenstanders.

Het witte leger kijkt nog steeds naar voren en zwaait honend met de wapens naar de zwarte pion op c4. "Neem jij hem te grazen of ik?", zeggen de loper en het paard tegen elkaar. "Ach ik had toch nog niets te doen", zegt de witte loper en ontneemt de zwarte pion zijn plaats (9. Lxc4 …). Vanuit de hoek van het slagveld ziet de zwarte dame wat er gebeurt. Haar ogen gaan glimmen. Het witte leger is tot dusverre steeds naar voren gericht geweest, met fatale consequenties. Met een geweldige sprong rent de dame plotseling naar links over het slagveld en elimineert in één klap de nietsvermoedende witte loper (9 … Dxg5). De witte stukken zijn onthutst. Ze vechten nog wel even verder, maar weten dat de strijd verloren is, en dat al zo snel na het begin. Na een zet of 38 capituleert het witte leger.

Deze veldslag speelde zich in werkelijkheid af in Papendrecht, op 29 september 1981, waar ondergetekende zo met de zwarte stukken won van iemand met de toepasselijke naam W. Hak. Een truc om te onthouden, want ook als wit de horizontale lijn niet veronachtzaamt is de Cambridge Springs verdediging (zo heet de zwarte opstelling) heel goed speelbaar!



 

Voor vragen of eventuele opmerkingen mail: Rob van Vuurde of Nilüfer Karayιlan